TAO (1)

TAO 道

De weg die gegaan kan worden is in geen geval de tijdloze WEG Laozi 1

In de Chinese wereld van vijf eeuwen voor onze jaartelling leefde een groot man, genaamd Lao Zi.

Zijn naam betekent: ‘oude (老) wijze’ (子).

Lao Zi schreef een boekje met 81 korte verzen, de Daodejing genaamd: het boek (jing) van Tao (dao) en diens kracht (de). De inhoud van dit boekje maakte zoveel indruk dat hieruit het Taoïsme ontstond.

Maar wat is ‘Tao’ ? Niemand die het weet, want Tao is onkenbaar.

Toch is het de bron van alles wat bestaat.

Met ‘bestaan’ wordt alles bedoeld dat zich in ons universum bevindt;  zowel zichtbaar als de onzichtbaar. Bij elkaar worden ze door Lao Zi genoemd: ‘de tienduizend dingen’.

De oorsprong van dit bestaan echter is het ‘niet-bestaan’.

Tao is nooit ontstaan en zal evenmin ophouden te bestaan. Het is geen object en valt daarom niet te kennen.

Tao is geen ding, geen ‘iets’.

Tao is niet-iets; niets.

Maar uit dat niets zijn alle ietsen voortgekomen.

In gewoon Chinees betekent Tao letterlijk ‘weg’, maar Lao Zi duidt er een tijdloze energie mee aan.

Deze was er al voordat ons universum tot leven kwam, en zal er nog steeds zijn wanneer dit ophoudt te bestaan.

Tao is een mysterie dat achter al het bestaande ligt.

Maar het is geen mysterie dat los van ons staat. 

Het paradoxale is dat we woorden nodig hebben om te zeggen dat woorden met betrekking tot Tao volkomen ontoereikend zijn.

Met woorden onderscheiden we de dingen van elkaar, terwijl Tao van niets of niemand afgescheiden is, het is alomtegenwoordig.

Het zou dan ook onzinnig zijn om de naam zelfs maar te noemen, ware het niet dat Tao werkzaam is in al het bestaande – dus ook in jou en in mij.

We kunnen Tao dan ook niet onbesproken laten.

Van Tao gaat een werking uit, de Teh genaamd. Deze is in alles, zowel binnen als buiten onszelf. De werking van Tao is te herkennen wanneer we ons ervoor open stellen. Toch kunnen we ons deze kracht niet toe-eigenen, hoezeer we er ook naar verlangen.

We zouden het kunnen vergelijken met water dat vanaf de bergen in het rivierdal stroomt.

Wie het helemaal wil hebben, merkt dat het hem letterlijk door de vingers glipt.

Het eerste vers van de Daodejing zegt dan ook:

Wie steeds begerig streeft zal slechts de buitenkant aanschouwen.

Dit zou ons kunnen ontmoedigen want er wordt mee bedoeld dat wie naar Tao verlangt, juist door zijn verlangen alleen ziet wat hij zelf wíl zien: hij of zij projecteert zichzelf op Tao.

Dit zou een uitzichtloze situatie zijn, ware het niet dat enkele regels verderop in dit eerste vers wordt gezegd:

Alleen zij die voortdurend zonder begeerte zijn, kunnen zijn verborgen mysterie schouwen.

Dit blijkt echter gemakkelijker gezegd dan gedaan.

We hebben nu eenmaal begeerten en verlangens. We komen daar niet vanaf door te besluiten ze uit alle macht te bestrijden.

Geen begeerten willen hebben is immers ook een vorm van begeerte. In de volgende blog (TAO 2 ) wordt hierop dieper ingegaan.

  4 Replies to “TAO (1)”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.