Tao in ons

 

De wijze mens draagt een grove mantel

en verbergt de schat in zijn boezem.

Daodejing 70

    聖

    shèng

     人

          rén

    被

      bèi

  褐

   

           懷

                   huái 

        玉

               

heilig, wijs mens zich bedekken ruwe stof boezem, in zich bergen

jade (als schat zijnde)

 

Ieder mens die Tao zoekt komt keer op keer te staan voor het besef dat hij zich, evenals de riviergraaf uit het verhaal van Zhuang Zi, klein voelt in het besef van iets dat veel groter is. Pas wanneer wij onszelf niet langer als ‘groot’ ervaren, in de zin van onszelf het meest belangrijke vinden, kan er met ons over ‘Het Grote Beginsel’ gesproken worden.

In het verhaal van Zhuang Zi houdt de god van de noordelijke zee vervolgens een betoog over het betrekkelijke belang van het groot en het klein, want de afmetingen van de dingen bepalen immers niet hun waarde. Hijzelf als grote zee weet zich nietig wanneer hij naar het nog grotere universum kijkt. Vervolgens beseft hij dat ook het heelal maar betrekkelijk is in vergelijking met Tao. Groot en klein zijn relatief in de wereld van de tegenstellingen:

Wat is waardevol? Wat is minderwaardig?

Ze wisselen elkaar af.

Hang niet aan wat je wilt,

Want dat verhindert ten enen male de werking van de Tao. 

Zhuangzi

Waar het om gaat is dat er midden in al het zogeheten grote of het zogenoemde kleine, een subtiele kern verborgen ligt, zo leert de god van de Noordelijke zee de riviergraaf:

De subtiele kern is het fijnste van alle kleine dingen,

de limiet van het heelal,

het uiterste van al wat groot is. 

 

Wanneer we deze gedachtegang doortrekken, bevindt deze subtiele kern zich ook in ons. Lao Zi spreekt hier in vers 70 over als zijnde iets heel kostbaars:

Daarom draagt de wijze een eenvoudig kleed

en draagt hij het juweel in zijn hart.

 

De wijze mens is iemand die zich bewust is dat hij diep in zijn hart een kostbare schat met zich meedraagt: een afspiegeling van het tijdloze Tao in zijn tijdelijke lichaam.

Heel openlijk wordt over dit juweel gesproken in een klassiek taoïstisch geschrift, de Ney Ye, daterend uit de vierde eeuw voor onze jaartelling; Ney Ye betekent innerlijke ontwikkeling, of: de werking van het innerlijk. Daarin wordt gezegd:

Tao is waarmee de vorm zich vult

Toch zijn de mensen niet in staat om hem vast te houden

Hoe stil!

Niemand kan zijn geluid horen

Hoe vlakbij!

Hij zit warempel in ons hart

 

Het paradoxale is dat Tao binnen in onze stoffelijke vorm is, terwijl het daar geen deel van uitmaakt. Om die reden zijn wij mensen niet in staat om Tao vast te houden, zijn geluid te horen, of op een andere manier waar te nemen.

Toch rust er in ons eigen hart, als een immens wonder, een vonk van Tao. Deze is letterlijk heel dichtbij, maar lijkt toch heel ver weg te zijn, want in het dagelijks leven beseffen we het bestaan van deze vonk niet, of niet voortdurend.

In vers 7 legt Lao Zi uit hoe dit komt:

De Hemel is eeuwig, de Aarde bestendig.

Hoe kunnen Hemel en Aarde zo lang bestaan?

Omdat zij niet voor zichzelf leven

kunnen zij eeuwig leven.

Wanneer Lao Zi de karakters voor hemel en aarde vlak na elkaar gebruikt bedoelt hij daarmee ons universum. Binnen het taoïsme wordt de kosmos gezien als een ‘lichaam’ compleet met een eigen bewustzijn. Dit ‘wezen’ is niet op zichzelf gericht maar beweegt onbaatzuchtig mee met Tao. Ook de oude Chinezen kenden de samenhang tussen het uiterst grote en het zeer kleine, het ‘Zo boven, zo beneden’. De wijze mens, hij die de weg tot Tao wil gaan, spiegelt zich aan het ‘grote’, aan het universum en gaat leren om in het kleine, in zichzelf, ook onbaatzuchtig te worden.

Het tweede deel van vers 7 maakt dit duidelijk:

Daarom plaatst de Wijze zichzelf op de achtergrond,

en daardoor bevindt hij zich op de voorgrond.

Hij zet betrokkenheid uit zijn geest

en daardoor blijft zijn betrokkenheid in stand.

Het is omdat dat hij geen eigenbelang heeft

dat hij daardoor in staat is, vervulling te bereiken.

In dit vers wordt gesproken over de wijze mens die zich ervan bewust is dat hij twee belangen heeft: het ene is een persoonlijk belang dat te maken heeft met zijn leven midden tussen de tienduizend dingen. Het andere is een belang dat veel dieper gaat: zijn verbondenheid met Tao. Juist omdat hij zijn op het ego gerichte belang niet nastreeft, is het mogelijk dat een dieper gelegen ‘eigen’ belang behouden blijft. Anders gezegd: in de mate waarin we onszelf minder centraal stellen ontstaat meer openheid in ons bewustzijn; daarin weerspiegelt Tao zich als een stil en tijdloos licht.

Wanneer we echter druk zijn met het verwezenlijken van onze tijdelijke belangen leggen we als het ware almaar dunne sluiers over dit licht heen. Het licht zelf blijft wel schijnen – het kan niet anders – maar wij zetten onszelf door al die sluiers in het duister.

De mens is de mogelijkheid gegeven om zich bewust te worden van het bestaan van Tao. Hij is ook in staat om zich af te vragen wat het in hem is dat het licht van Tao in de weg staat. Lao Zi concludeert dat dit zijn gerichtheid op zichzelf is.

 

 

Wie zich zonder ego-bedoelingen of verwachtingen overgeeft aan de vonk van Tao in zijn hart, verliest zijn eigenbelang. Deze mens beweegt mee in de dynamische stroom van Tao. Dit gebeurt zowel actief als passief: actief omdat wij moeite moeten doen om ons open te stellen, ons over te geven aan de kracht van Tao, passief omdat de werking van de stroom niet anders kan dan ons meevoeren naar waar we moeten zijn. Dit ‘zijn’ is echter niet een bereiken zoals wanneer we aan het eind van een weg op onze bestemming aankomen, maar het is een niet-zijn, een volledig opgaan in een nieuw bewustzijn dat ver uitstijgt boven ons ego-bewustzijn.

 

 

 

Ieder mens die de weg tot Tao gaat, staat voor de opgave om vanuit dit nieuwe, ruimere bewustzijn te leven. In de dagelijkse levenspraktijk blijkt het nog een hele opgave te zijn om niet meer dan noodzakelijk is te reageren op de vele impulsen die zich bij ons aandienen. Dit vraagt steeds maar weer opnieuw om een afstemming op Tao in het hart. Niet alleen in ons eigen hart – dat zou Tao tekort doen – maar op Tao in het hart van ieder mens, vriend dan wel vijand. Wie hiertoe in staat is handelt vanuit een wezenlijk eigenbelang dat zijn ego verre en verre overstijgt. Daardoor wijken de vele sluiers die het tijdloze licht bedekken als het ware heel even; een tijdloze stilte en liefde stralen ons tegemoet.

Dit alles kan echter alleen zuiver ‘in Tao’ blijven als we ons er niet op voor laten staan, en ons ook niets van deze ervaring toe-eigenen. Een hele kunst in het leren om ego-loos te handelen.

 

Zhuang Zi zegt hierover:

Het is Tao, dat alle dingen draagt en overspant.

Hoe machtig is het in zijn overweldigende stroom.

Daarvoor moet de hoge mens alles wegvagen uit zijn geest.

Doen zonder te doen, dat wordt hemels genoemd .  .  .

Mensen lief te hebben en de schepselen wel te doen, heet welwillendheid.

Te doorgronden, waarin het verschillende een is, heet grootheid van ziel.

Gedrag dat vrij is van de zucht boven anderen uit te blinken, is verhevenheid .  .  .

Vast te houden aan Deugd [Teh] heet de leidende richtlijn,

eenheid met Tao heet volledig te zijn en niets uiterlijks toelaten om de wil te binden is volkomenheid.

Als de hoge mens dit begrijpt, houdt hij al het bestaande omvangen in zijn ziel en toont hiermede de verhevenheid van zijn geest.

 

Post navigation

  One Reply to “Tao in ons”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *